Op 8 mei 2009 werd de bevrijding van Utrecht herdacht, bij het Hoogeland, met als hooggeëerd publiek de afgezanten van de Polar Bears. Herinneringen van een ooggetuige van toen.
Door Rosemarijn van der Does de Willebois.
Al dagen gingen de geruchten: ze komen eraan!

En dan gingen wij – ouders, broers (resp. 16, 14 en 11 jaar) en ik (18 jaar) – kijken vanaf de Museumbrug in de richting van de Biltseweg.
Nee, toch niet, weer terug, vaak noodgedwongen, want de moffen waren zenuwachtig en grillig – en dat was gevaarlijk.
Er is toen vlak voor de bevrijding dat vreselijke drama gebeurd in het plantsoen, bij het Rosarium, waar nu de gedenksteen ligt met daarop de namen van tien gesneuvelde illegalen. Wij waren een paar jaar tevoren uit ons huis aan de Emmalaan 9 gezet – dat werd, samen met de twee huizen ernaast, de nummers 11 en 13, een telefoonkantoor van waaruit, naar werd gezegd, met het Oostfront en met name met Smolensk, werd gebeld. Daar huisden onder andere grijs geüniformeerde Duitse telefonistes, die grijze muizen werden genoemd.
Overigens werd het hele grasveld van de Emmalaan in die tijd ingenomen door, nog voor de oorlog door het Nederlandse leger aangelegde, loopgraven, die de eerste oorlogsjaren druk gebruikt werden als speelterrein door mijn broers en andere buurtjongens, maar die ook nog gebruikt zijn als dekking door Duitse soldaten, toen die hun aandeel meenden te moeten leveren aan het reeds aangeduide gevecht met een groepje illegalen. Vanuit ons tijdelijk huis, Oudwijk 47, hebben mijn ouders en mijn broers dat gevecht, via een erker aan de voorkant op de tweede verdieping, machteloos aangezien, waarbij een kleine groep - te vroeg tevoorschijn gekomen, gewapende, maar nauwelijks getrainde, illegalen met BS-banden (Binnenlandse Strijdkrachten) om hun arm - het op moest nemen tegen een overmacht aan Duitse soldaten.
Zelf werd ik van de ramen van de erker weggehouden. Toch heb ik er een beeld van en uiteraard hoorde ik het geschreeuw en de schoten en zag iemand bewegingloos liggen…
Even waren wij helemaal verslagen. Maar kort daarna: wéér naar de brug en nu, nu was het zover. Ze komen eraan! Ik weet nog dat ik een boeket tulpen, dat ik aan het schilderen was, uit een vaas rukte, mooiste mantelpakje aan, door onze ongelooflijk handige huisnaaister vermaakt van één van mijn moeder. Wachten, tot het uiterste gespannen, kijken. Iedereen was er: de hele buurt. Ver weg: geronk van motoren en dáár, dáár, zagen wij onze eerste Canadezen, twee enorme militairen met helmen op, op twee enorme motoren, een soort voorposten – zij zagen er ‘beefy’ uit zoals mijn vader opmerkte; al dadelijk had één een zware meid achterop.
Wij keken naar hen alsof zij wezens uit een andere wereld waren, en dat waren zij ook: al dat kaki, goed doorvoed, uiterst kalm – na vijf jaar Feldgrau en áltijd als je als meisje een mof tegenkwam je hoofd afwenden, doen alsof ze lucht waren… Ik herinner mij dat ik op dát moment ineens dacht: ‘dat hoeft nu nooit meer, ik kan weer gewoon kijken’.
De ‘voorposten’ bleken echter de weg kwijt te zijn. Zij vroegen dus de weg en keerden tot onze schrik om: ‘hemel!, het gaat niet door!!’
Weer wachten, óp van de zenuwen: wat zouden de moffen doen? De aanwezige vaders keken goed uit.
Maar daar kwamen de echte troepen, the Polar Bears, in allerhande soorten voertuigen en wij waren niet meer te houden: buiten onszelf van vreugde, wuiven, roepen, huilen, lachen. We hadden natuurlijk allemaal oranje op en wij gooiden met bloemen.
Je kon het haast niet geloven dat ze er echt waren, de Bevrijders. Na vijf jaar in een soort tunnel geleefd te hebben kwamen we ineens in het volle licht – het was nog prachtig weer ook.
Verder waren er de bekende beelden: allemaal mensen, die op de tanks en andere militaire voertuigen klommen, maar vooral in het begin nog wat werden afgehouden: de bevrijders wisten dat de stad nog vol Duitsers was, ze hadden nog wat te doen.
Dat op de jeeps klimmen en zo, dat deden wijzelf overigens toch niet: persoonlijk was ik daar al te verlegen voor geweest, maar de ouders vonden dit voor ons ‘not done’.
Wel waren wij met enige Engelsen, die richting Wilhelminapark in bogen en eveneens de weg vroegen, al dadelijk in gesprek en ik weet nog dat ik in de grootste opwinding over die neergeschoten jongens probeerde te vertellen en over het feit dat er nog gewapende Duitsers rondliepen en dat ze die gevangen moesten nemen. Dat alles in mijn beste schoolengels (dat ik, om op alles voorbereid te zijn, had bijgehouden door de laatste weken mijn dagboek in het Engels te schrijven). Maar ik zie nog die sergeant voor me, die er waarschijnlijk niet veel van snapte en goedmoedig lachte: ‘yes, yes’.
De volgorde van de gebeurtenissen ben ik een beetje vergeten, maar ik weet dat wij even naar huis holden. Daar kregen wij, bij wijze van lunch, na dankbaar gebeden te hebben en na enige indrukwekkende woorden van mijn vader, ieder een, juist voor deze gelegenheid door mijn moeder opgespaard, blikje gecondenseerde melk: een dikke zoete substantie die wij zó uit het blikje oplepelden als een toppunt van lekkernij.
’s Avonds bij het avondeten werd de enige fles wijn, die eveneens voor dit doel bewaard was, opengemaakt. Zo ging dat bij haast iedereen.
Toen volgde de officiële Blijde Intocht: in grote rijen arm in arm, hossend en dansend en zingend, oud en jong, achter de muziek van de Bevrijders aan. Er marcheerden verscheidene militaire kapellen, ook bagpipes.
Ik weet nog hoe deken Wiegerink, van de H. Hartkerk in Oudwijk, róód van vreugde mee hoste. We gingen door het Wilhelminapark de Reigerstraat in en daar hoorde ik een vrouw roepen: ‘Dit is de mooiste dag van mijn leven, nog mooier dan mijn huwelijksdag!’
Inmiddels hadden alle Duitsers zich overgegeven en werden er met meer of minder moeite NSB-ers uit hun huizen gesleept en vol afschuw door ons bekeken. Nee, het begrip ‘genuanceerd denken’ bestond toen nog niet: Duitsers en NSB-ers waren allemaal schoften. En de Engelsen? Nu, die waren, zoals de H. Augustinus van Canterbury al vele eeuwen eerder had gezegd: ‘non Angli sed Angeli’, dus: geen Engelsen maar Engelen!
Daarna kwam voor ons het ongelooflijk spannende gebeuren dat een deel van de troepen zich installeerde in het Wilhelminapark: overal zag je tenten opzetten, behendig keukengerei in elkaar zetten, je zag soldaten zich in de open lucht staan scheren en thee zetten boven komfoortjes.
Wij keken onze ogen uit: de efficiency, het gemak waarmee alles ging, maar vooral het gezellige, de goedgehumeurdheid – zo heel anders dan de moffen…
En maar uitdelen: chocola, biscuits, sigaretten. Wij - ik ook - smeekten bijkans om inkwartiering. Nu, dat wilden zij wel: twee officieren met hun batmen maakten zich gereed. Ik rende naar huis om de kamers zo mooi en fris mogelijk te maken. In de voor de officieren bestemde kamers, ontruimd door de broertjes, had ik bloemen neergezet (blijkbaar waren die nog steeds te krijgen) en ik zie en hoor nog hun ongelovige verbazing: ‘Flowers and real beds’, in een langzame Yorkshire drawl.
Het idee dat je vier Engelse bevrijders zomaar in je huis had!
’s Avonds zaten wij met hen opgetogen in de kring. Zij hadden ik weet niet wat allemaal voor ons meegebracht. Maar voor mijn jongste broertje was het zielig: die sprak en verstond nog geen woord Engels en barstte in tranen uit van ellende dat hij niet mee kon doen, maar mijn moeder probeerde toen zoveel mogelijk voor hem te vertalen.
Alan en Gill – zo heetten de officieren – konden hun ogen haast niet meer openhouden en konden van vermoeidheid de trap nog maar langzaam op.
Dat was de eerste dag: een dolgelukkig huis met bevrijders en bevrijden ging te ruste.
Daarna brak er een heerlijke tijd aan met veel taptoes, feesten en party’s met de Engelsen en de Canadezen. Je werd dan afgehaald in jeeps of wat grotere vehikels. Daar zaten wij meisjes dan in onze mooiste jurken op harde houten bankjes tegen de zijkant. Het was alles keurig georganiseerd door een soort gecombineerd Hollands/Engelse comités. Soms kwam er zelfs een officier van tevoren kennismaken! Je werd op tijd weer thuis gebracht en ik herinner mij niets van uit de hand gelopen toestanden of zo. Die zullen er heus wel geweest zijn, maar niet in mijn ervaring.
Achteraf sta je eigenlijk verbaasd dat onze ouders dat allemaal goed vonden.
Het was zo’n andere tijd dan nu. Ons boekenengels bleef, vooral voor de Canadezen, een bron van vermaak evenals de dingen die wij wilden weten. Ik herinner mij hoe mijn beste vriendin, vrij slecht in Engels, af en toe aan kwam rennen om te vragen hoe zij iets moest zeggen. Eén vraag luidde: ‘dò red foxes rùn over the mountains?’
Ik had mijn naam mee: Rosemary: een op feesten en partijen veel gespeeld lied was ‘O Rosemary I love you’. Dat werd dan ter ere van mij met extra verve meegezongen.
Mijn eerste grote feest was in de Jaarbeurs in gala, dus in lange jurken. De mijne was van gele tafzij met kopmouwen. Die was van een tante geweest, maar erg mooi (vond ik). Op dat feest kreeg ik voor het eerst van mijn leven champagne. Ik dronk die erg vlug op en zei verheugd: ‘heerlijk, just lemonade’, waarop ik van de mij begeleidende captain de hele avond nog maar één glaasje kreeg en dat mocht ik maar héél langzaam drinken: hij had door, dat ik geen idee had van het alcoholgehalte… Ik vertel dit om te illustreren hoe aardig oplettend zij waren. Er speelde een soort Glen Millerorkest, maar dan bestaande uit allemaal militairen, een formeel einde was daar: staan, volksliederen spelen, een hand geven aan de generaal en bedanken. Het was alles een soort droom.
Tot besluit wil ik zeggen dat een Bevrijding zóiets geweldigs is, niets valt ermee te vergelijken. Het is een blijvende lichtende herinnering, iets waar je je hele leven dankbaar voor blijft. Ik had het voor geen goud van de wereld willen missen.
Rosemarijn van der Does de Willebois





